Sinds enige tijd zie ik kleine wezentjes in mijn tuin. Soms ook in het bos of het park. Zelfs in huis. Ze staan op een tak, een boomstronk of ze verbergen zich in een holte in een stam. Er woont er ook eentje in de buitenkachel, die is toch nooit meer aan: het idee dat je stookt alleen om de aarde nog verder op te warmen, dat kan allang niet meer.
Ik vind de figuurtjes in kringloopwinkels waar de speelgoedafdeling een enorme aantrekkingskracht op me uitoefent. Dan zie ik daar een of meerdere kabouters, verweesd om zich heen kijkend of bijna comateus liggend in een zakje. Ze gaan mee naar huis en dan zoek ik voor hen een woning.
Blijft de vraag waarom ik dat doe?
Daar denk ik al een poos over na.
Gisteren, na een lome wandeling in het stille avondbos, waar het mij nu bekende gevoel van krimpen weer over me heen kwam, wist ik het antwoord. Dat is namelijk precies waar de wezentjes voor staan: ik ben het! Het is mijn gekrompen versie, mijn versie zonder ego die zich één voelt met alle andere natuurwezens waarbij we allemaal gelijkwaardig zijn op planeet Aarde. De kleine kabouterwezens helpen me herinneren aan dat heerlijke gevoel van saamhorigheid, gezelschap en er zijn voor elkaar dat ik krijg op die momenten, ook al roep je ‘boe’ of ‘diedeljo’, of woon je in een klein holletje en heb je een staart, of eet je het liefst kikkers, nectar, of mensenbloed. En zelfs als je een groene puntmuts hebt.

