Ik kende iemand die, als ze bij mij thuis was, een opmerking moest maken over mijn hond en honden in het algemeen: ‘ik heb niets met die beesten’. Ze gaf Amber nooit een aai als die daar om kwam vragen, deed afwerend en keek vies. Het deed me echt pijn dat iemand zich zo gedroeg tegen mijn gezinslid. Mijn zeer sociale hond droop dan met lage staart af en kwam troost halen bij mij. Ik zou het niet in mijn hoofd halen om me zo te gedragen tegen een van de kinderen van die kennis, of tegen haar kat. En zij zou zich nooit zo gedragen tegen een mens van andere kleur of taal, geloof of haarkleur, dat weet ik zeker. Zij was zich nog niet bewust van soortisme, wat dezelfde denkfouten in zich houdt als racisme of seksisme. En zij was natuurlijk geen uitzondering.
Ook ik, vroeger. Ik hield niet van spinnen, of in ieder geval vond ik ze doodeng. Gelukkig is dat goedgekomen. Doodmaken, dat deed ik toen al niet, maar ik vond nog dat mensen en dieren hele andere soorten waren, waar wij ‘boven’ stonden, want intelligenter’. In die tijd dachten we ook dat vissen geen gevoel hadden, dat andere dieren dan de mens geen angst en rouw kenden en ook dat we niet met ze konden communiceren. Wel konden we met ons eigen huisdier ‘lezen en schrijven’. ‘Hij begrijpt echt alles!’ Dat dan weer wel! Ondertussen heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat werkelijk álle levensvormen, ook bomen en planten, communiceren met hun eigen soort en met andere soorten. Maar om ze dan als gelijkwaardig te zien, dat gaat heel veel mensen nog een stap te ver. Om allerlei redenen want hoe kan je met dat besef bijvoorbeeld dieren als gebruikvoorwerpen blijven behandelen? Je koeien een naam geven maakt dat al iets lastiger, las ik ergens.
Taal speelt bij dit alles een belangrijke rol. Hoe je iets benoemt. Daar kunnen wij nog veel in leren. Tot voor kort sprak ik, bijvoorbeeld, nog over het ‘baasje’ of de ‘eigenaar’ van de kat/hond/koeien/het paard/varken/konijn. Maar op sociale media waren het de filmpjes uit de VS die mij wakkerschudden. Daar hoorde ik ‘het baasje’ zeggen: ‘here is your mammie‘. Ik moest daar aan wennen; waarom voelde dat zo raar en was dat terecht? Ik ben blij dat ik me heb afgevraagd waar die emotie vandaan kwam. Nu doe ik mee met ‘mammie en daddy’ want een dier is geen eigendom jou, het is van zichzelf en jij hoort ervoor te zorgen als voor je eigen kind.
Eigenlijk zo logisch. Net zo logisch als dat we niet meer spreken over ‘slaven’ maar over ‘slaafgemaakten’ en dat vrouwen walgen als ze om hun ‘meisjesnaam’ wordt gevraagd. We moeten nog steeds leren dat alle leven op Aarde van zichzelf is en niet van die ene soort die zich homo sapiens (=wijze) noemt en die die naam niet eens verdient. Mijn hoop is dat de huidige klimaatcrisis, met de taal en emoties die daarbij voorbijkomen, de bewustwording over soortisme zal versnellen.

