Tonen 2 resultaat (s)

Taal en emotie deel 2

In groep I wees de juf de dieren aan op het bord. Wat is dit? 'Een vogel', riep de groep. 'Goed zo', zei de juf.  'Niet waar!', riep het dochtertje van een kennis van ons, 'het is een merel!'

Wij mensdieren zijn taaldieren. Dat kon je lezen in deel 1: Taal en emotie. We zouden het woord ‘soortisme’ veel meer bekendheid moeten geven. Want waar we geen woord voor hebben bestaat voor ons niet. En wat niet bestaat kan ook niet rekenen op respect, liefde en gelijkwaardigheid.

Voor een veranderde kijk op de omgang met andere levensvormen op onze planeet is het dus belangrijk om het beestje bij de naam te noemen. Hoe veel mensen komen niet verder dan: vogel (maar welke?), vlinder (maar welke), slang! brrr, hond, koe, bloem, gras, boom. In plaats van: vink, oranjetipje, ringslang, labrador, rood-bont, paardebloem, helmgras, eik. En als we opgroeien zien we deze andere levens soms niet eens meer. Nog erger: hoe veel mensen lopen niet met oortjes in of een koptelefoon op? Of pratend in hun telefoon, gewoon afgesloten van alles om zich heen. (Een gevaarlijk fenomeen wat mij betreft, op vele vlakken.) Hoe belangrijk is het dus om je omgeving te leren zien en te benoemen?

Oefening baart liefde
Hoe veel leuker zou je dagelijkse weg van huis naar school zijn, of naar werk, het rondje met de hond, het wandelingetje met je (klein)kind, als je daarbij alles benoemt wat je ziet? Ter plekke opzoekt hoe het heet. En dat kan zelfs in de stad. Je staat soms verbaasd over wat daar nog groeit, kruipt en vliegt tussen de stenen. Maar ook ontdek je dat er mensdieren zijn die van alles proberen om hun omgeving te vergroenen.

Het lukt mij al aardig op mijn ochtendroute naar mijn zwemplek. Tenminste met de dieren: de zwart-bonte koeien (de Fries-Hollandse denk ik) groet ik terwijl ze rustig van of naar hun melkrobot sjokken: ‘dag mooie dame!’ Als ik verder fiets noem ik de naam van de vogels die ik hoor of zie. De grasmus hoor en zie ik steeds op dezelfde plek, dus die woont daar. Zo leer ik hun favoriete biotoop kennen. Soms hoor ik ze niet meer en mis ik er een, als dat vaker gebeurt vraag ik me af: klaar met broeden? Op weg naar het zuiden? Overleden? En soms vind ik er één terug in het volgende jaar. In de bomen en struiken ben ik minder goed, dus die wil ik ook gaan oefenen.

The honored attendant
Tenslotte: hoera!, er kwamen een paar reacties op mijn eerste blogpost over Taal en emotie! Daar ben ik blij mee, want juist discussie scherpt de geest. In dit geval ging het over huisdieren en hun ‘mammie en daddie’. Is dat wel een goede benaming vroeg iemand zich af, want ook huisdieren worden volwassen. Iemand anders gaf mij het woord Kahu, afkomstig uit Hawaii. Dat woord benadrukt de intieme en vertrouwelijke relatie tussen een wezen (the god) en zijn/haar beschermer/houder. Het kan van alles zijn, ook de ‘baas’ van de hond, maar het gaat om de intieme en vertrouwensband. Een prachtig woord, dat onze ’talige’ soort kan helpen in ons streven naar gelijkwaardigheid tussen mensdieren en alle andere levensvormen. Voor wie ben jij een Kahu?

kahu  (Hawaii)

1. n. Honored attendant, guardian, nurse, keeper of ʻunihipili bones, regent, keeper, administrator, warden, caretaker, master, mistress; pastor, minister, reverend, or preacher of a church; one who has a dog, cat, pig, or other pet. According to J. S. Emerson; 92:2, kahu “implies the most intimate and confidential relations between the god and its guardian or keeper, while the word kahuna suggests more of the professional relation of the priest to the community.”