hoe lang staat zij daar al, met haar lang rimpelig gezicht en zware armen met hier en daar een knobbelig gewricht. een stevig lijf, zwart en hard, een volle bos warrig groene haren. ik drink gulzig haar aardse geuren. met mijn oor zachtjes tegen haar lijf gedrukt voel ik kracht, gonzend als vanuit een diepe zee naar boven stromen. kracht die zij uitdeelt aan wie dan ook.

om haar heen staan meer mooie oude grijze soortgenoten. soms is er iemand die al een arm verloren heeft of kale dode vingers die dun naar boven wijzen. met al die armen wenken zij elkaar, ieder ander en mij maar ook jou en houden, zij aan zij, dierbaar elkaar handen vast alsof ze zeggen: kom erbij doe mee, samen verzetten wij bergen. geen milieudelict, dictator of waterkanon krijgt ons opzij. wij laten deze prachtige planeet niet sterven.